Het Riet
Hars zullen wij eten
hars en boomschors
en de wortels van eenjarige planten
De sterren sissen op mijn tong
en op de bodem van de beek adem ik water
Hoog op de paarse artisjokken
strek ik mijn leden uit
want een boot vol vlinders
zoekt, blind en met versleten doel, naar jou
Rulle kippen dromen
met gematigde verschrikking, maar morgen eten wij
Boomhars
hars en boomschors
En blauw zal alles zijn
blauw en meesterlijk: de zandweg
en het griend
En verder in het riet
zitten de meeuwen - wit -
zij kennen het gevaar nog niet
Het grote rietveld weeft zich
dor, geel, verdord, maar aangenaam en droog
want boven is het blauw
En, ach, het meer zal ook wel blauw zijn
Te midden van het riet
zitten de meeuwen op hun nesten
Grote witte grijze meeuwen
van toen ik door de regen werd geraakt
- voordurend aan mijn naakte mouw -
en varens, man-manshoge varens,
en ook wel lagere, mijn haren kamden
doedelden
en maar met dauw bestreken en kleine stukjes haar
- ik had de dassen wel gezien
en ook hun witte oogstreep
twintig paar, of meer,
- tamelijk blauw -
net zo als de afgesneden kerseboom
maar RIET
riet en meeuwen
die er niet bóven zeeuwen
maar ín het riet
En ik óók in het riet
Weelderig is de natuur
maar toch wel mooi
en breed
©Jan Hanlo